Volgens van dale:

HAAR

I {het ~}

1 al de haren (II) die de huid of een deel daarvan bedekken = vacht, pels.

2 al de hoofdharen van een mens = haardos.

3 [biol.] de op haren lijkende aanhangsels
op de opperhuid van planten.

II {het,de ~}

elk van de fijne, buigzame, in de leerhuid
gewortelde verhoornde strengen, die het lichaam van mensen en vele dieren bedekken.